Mijn buurvrouw heeft op zolder de schat van Ali Baba liggen. Elk jaar opnieuw, nog voor de derde week van november is ingegaan, herinnert ze zich: ‘Sesam, open u’. Ik hoor het haar haast zeggen, en schurend schuift dan de magische deur van haar zolder open. Ze neemt alles wat ze dragen kan; gaat zelfs tot zeven keer toe terug om een nieuwe lading blinkends op te halen. Dan komt haar moment de gloire, waarop ze de veertig rovers uit hun hol lokt, wetende dat ze hen toch te slim af zal zijn.
Inderdaad, in hun hele roverscarrière was geen van de veertig erin geslaagd zoveel van de schat te stelen als mijn overbuurvrouw. Een van hen heeft zilveren ballen in een spar gehangen, een ander een sliert goud boven de voordeur. Er zijn er met zilveren klokjes in hun boom, engeltjes, pakjes met een glanzende strik en schitterende linten; bij anderen is het pad naar de voordeur met gouden lichtbanen omrand. Een van de sluwere rovers heeft een ster die blinkt als kristal, maar een andere steekt hem de loef af met een ster die bovendien ook kerstliedjes piept. Dan zijn er de kerstmannetjes die op hun ladder de muur beklimmen met een zak vol cadeautjes op hun rug. Die hebben ze – uiteraard – alle veertig, en ze hangen ze liefst op een zo zichtbaar mogelijke plek, als gaat het om hun rooftrofee.
Mijn buurvrouw echter, die bij de bron blijkt te zitten, overtreft hen in alles. Aan het raam knipperen roze ijssterren iedere seconde aan en uit en haar kerstmannetje op de ladder heeft een lichtgevende pompon op zijn muts. Niet zomaar de voordeur, of het pad daar naartoe zijn omkranst met gouden lichtslingers, dat kun je al bij de rover op nummer achtendertig zien. Werkelijk iedere lijn van de gevel van haar fermette is versierd met plastieken lichtkabel, van de dakgoot tot de regenpijp tot de kelderraampjes. De schat van Ali Baba zal haar ongetwijfeld sponsoren voor de energiefactuur.
Temidden van al deze praal pronkt het meesterstuk, het kroonjuweel: in haar voortuintje, naast de mini-waterput en twee meter van het reeds verkleurde hert, drijft een kerstman in een arrenslee twee rendieren aan. Het kerstmannenpak is nog roder dan de muts van haar tuinkabouter, en de rendieren lijken met verse kots overspoeld. Om dit gezellige schouwspel op te fleuren, heeft het lichtsnoer als onkruid ook hier een weg gevonden.
Ze is ze te slim af, de veertig rovers, en terwijl ik het gordijn sluit om mijn ogen te beschermen, smeek ik dat het geen duizend en een nachten duurt vooraleer de buurvrouw 'Sesam, sluit u' zegt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten