woensdag 16 maart 2011

De weduwe van de koster

De vrouw van de koster was onverwachts de weduwe van de koster geworden. Haar donkere kleren waren als zeemvellen die haar tranen hadden opgeslorpt. Elke dag, nu al zes maanden lang, als ze na haar bezoek aan het kerkhof de keuken van haar rijwoning binnenkwam, kuste ze zijn foto op het doodsprentje naast de stolp waarin Maria van Lourdes haar ogen ontwijkend ten hemel richtte.
Op het plastieken tafelkleed met kersen lag Het Laatste Nieuws open op een voor drie vierde ingevuld kruiswoordraadsel in het handschrift van haar man. In het linkse bovenvak van het raster priemde een vetvlek van de Suzy-wafel waar hij zo graag van snoepte.
De afwas stond onaangeroerd in de gootsteen, preipuree was aan de porseleinen borden en in bruine vlekken op het gasfornuis vastgekoekt. Sinds de fatale hartaanval van de koster was het leven hier blijven stilstaan. Alleen de metalen klok aan de wand en de zich immer vermenigvuldigende vliegen die zich gretig op de afwas stortten, wezen op de voortgang van de tijd.
De weduwe van de koster was voltijds vrouw van de koster geweest: wanneer ze zijn gestreepte hemden had gestreken en er een passende stropdas bij zocht, verstopte ze in iedere voorzak een pepermuntje voor het geval haar echtgenoot een slechte smaak in zijn mond kreeg. En voor hij naar de kerk vertrok, legde ze steevast een Suzy-wafel voor hem klaar. Ze voegde curry bij elk gerecht – ook al vond ze dat bijzonder eentonig – omdat dat de koster aan zijn jeugd in Nederlands Indië deed denken. En voor de sleutel van de kerk had ze een speciaal zakje met bloemen geborduurd. Haar leven als vrouw van de koster was er een van absolute toewijding geweest; nu zou ze voltijds weduwe zijn.
Daar zat ze in haar zwarte kleren op de stoel aan de keukentafel door het raam te staren, het kruiswoordraadsel onaangeraakt en de pen op net dezelfde plaats als waar de koster haar laatst had neergelegd. Ze zat voor het raam tot de zon onderging; dan zeemde ze zichzelf naar de slaapkamer, waar ze - met haar zwarte kleren aan - haar ogen sloot.

Die morgen sleepte ze zich van haar bed naar de keukenstoel voor het raam om haar blik opnieuw op oneindig te richten.
Na exact twee uur en elf minuten naderde er razendsnel een grijsbruin projectiel – de weduwe zag niks – en botste luid tegen het vensterglas.
De klap deed haar ontwaken uit haar apathie, ze veerde op alsof iemand haar gezegd had dat het brandde aan haar voeten, snelde langs de achterdeur naar buiten en voor het eerst sinds de dood van de koster kon ze terug zien: er lag een jong, grijsbruin musje op de grond. Rond zijn borst zaten nog donsjes, en zijn snaveltje was nog een beetje stomp. Muisstil lag het op de grond te stuiptrekken.
De weduwe nam het voorzichtig tussen haar handen en droeg het naar de keukentafel, waar ze het bovenop het kruiswoordraadsel legde. De vogel liet zijn kopje hangen boven een zwart gearceerd vak en gaf geen kik.
Toen de weduwe voorzichtig een schoteltje water dichterbij schoof, kromp het beestje angstig in elkaar als een kind dat denkt dat het onzichtbaar is wanneer het zijn handen voor zijn ogen houdt. De vrouw bleef stil wachten, zittend op haar stoel voor het raam. Na ongeveer een uur ondernam de vogel een schuchtere poging om met zijn snavel tot aan het water te reiken.
Het verlegen geluid van het nippen charmeerde de vrouw zodanig dat ze de allerlaatste Suzy-wafel uit het pak van haar man resoluut uit zijn verpakking haalde om de krant met kruimels te bestrooien. Aanvankelijk reageerde de mus niet, maar na een uurtje pikte hij enkele brokjes op en produceerde daarbij lieflijke piepgeluiden.
De ogen van de weduwe herwonnen een lichte glans, even leken haar mondhoeken zelfs te krullen.
De koster keek - vanop zijn schouw – genoegzaam mee.

's Avonds zette ze de mus op de leuning van de zetel naast zich zodat ze af en toe zacht over zijn hoofdje kon strelen.
“Al wat beter?” vroeg ze. Ze aaide de dons tussen zijn zwarte kraaloogjes. Toen het beestje kirde, glimlachte de weduwe ongedwongen.
Plots echter, tijdens het kirren, verslikte de mus zich in een kruimel die in zijn snavel was achtergebleven. Het gezicht van de vrouw werd lijkbleek toen het kirren overging in een akelig gekrijs, bleef haperen in verschillende frequenties tot het onheilspellend stil werd in het lege huis. Vroeger had ze stevig op de rug van de koster geklopt wanneer hij een hevige hoestbui kreeg, maar bij dit fragiele wezentje kon ze slechts machteloos toekijken.
Toen de vogel stil bleef, vormde ze haar hand als een bubbel, sloop op haar tenen de trap op en koos het groenwit gestreepte hemd dat de koster slechts op zon- en feestdagen droeg. Vervolgens ruilde ze het pepermuntje in de voorzak voorzichtig om voor de mus en gaf het jong in zijn slaapzak een plaats op het kosterlijke hoofdkussen. Het dier, zo stelde ze moedeloos vast, leek even levenloos als de mussen op de postzegels van één frank.
De weduwe, die nooit de kans had gekregen afscheid te nemen van de koster, waakte.

Toen de zon in strepen tussen het rolluik viel, werd het musje wakker. Het bevrijdde zich uit zijn slaapzak, huppelde op het kussen en begon ongeduldig te tsjilpen. Vliegen ging nog niet zo goed, springen des te beter. Hij porde met zijn poot tegen de wang van de vrouw, duwde zijn andere tegen haar oor en tsjilpte daarbij steeds luider. De weduwe, echter, ontwaakte niet meer.

1 opmerking:

  1. http://annvandessel.com/

    het gedichtje van het vogeltje staat er niet op, maar ik dacht, ik stuur de link toch!

    xoxo
    Jade ;)

    BeantwoordenVerwijderen