woensdag 18 mei 2011

Bompakketten in het bubbelbad

Zit je rustig met een vriend in de jacuzzi te ontspannen na een drukke week, komen daar twee van die feloranje opblaasbandjes op je af. Die bandjes horen bij een wezen dat eruitziet als dat witte gedrocht van de Michelin-reclame, en je vraagt je af waarom zo'n baby eigenlijk nog bandjes nodig heeft. Zouden zijn vetrolletjes hem niet drijvend houden, dan? Hoeft zo'n hoopje kwab en snot überhaupt drijvende gehouden te worden? In mijn ogen zijn opblaasbandjes enkel nuttig in de letterlijke zin van het woord: opblazen. Zo'n baby kan nog wat leren van Al Qaida's zelfmoordterroristen.
Maar dan niet in míjn jaccuzi. Niet alleen komt zo'n uk ongegeneerd met zijn bompakket vlak naast – haast tegen jou in de broebels zitten, hij doet bovendien niet de minste moeite om zijn lading gedekt te houden. Integendeel! Hij pletst met die oranje munitie water op en wanneer je driftig in je ogen begint te wrijven, beeldt hij zich in dat het uit ontroering is. In plaats van zich bedeesd terug te trekken, staart hij met cyanide-ogen als om een hoofdstreel af te dwingen en een 'oh-wat-ben-je-schattig'. De moeder, zich van geen kwaad bewust, gééft dat oranje bewapende murmel dan uitgerekend nog die hoofdstreel en glimlacht een 'hij moet nog met zijn bandjes leren omgaan' in mijn richting.
Ik denk er net hetzelfde over. Opblazen die handel, met baby en al. Maar niet in míjn jaccuzi.

NV Broeckmans

Als een trillend klarinetrietje was ik eraan begonnen. Mijn sollicitatie als boekhoudster bij NV Broeckmans, Vlaams marktleider in deurklinken. Een job die vele deuren zou openen, zo stond op de vacature.
Aan de ingang van NV Broeckmans schoven de deuren automatisch open. De bereidwillige secretaresse verwees me door naar de vergaderruimte op niveau één, tweede deur links. Vijf minuten te vroeg was ik, en toen de secretaresse uit het zicht verdween, zwakte ik mijn tempo af om de marge op te vullen.
Pas toen ik de klink beetnam, merkte ik hoezeer mijn handen zweetten. Alsof de olie uit de scharnieren was gedropen door mijn verhitting. Ik aarzelde, slikte, beefde, liet de klink weer los tot een plotse vastberadenheid me met een snok de deur deed openen. Daar stond ik, oog in oog met mijnheer Broeckmans generatie vier.
'Zet u maar,' zei mijnheer Broeckmans hartelijk. Het licht van de felle zon in zijn rug maakte van hem een icoon waarbij slechts de enkele sprieten haar het onderscheid tussen zijn kale hoofd en een maanlandschap markeerden. Of het moest zijn dat er gras groeit op de maan.
'U komt voor de job van boekhoudster?' Mijnheer Broeckmans glimlachte vanachter zijn zilveren bril een gouden tand bloot. Zijn naamkaartje in bronskleur pronkte op zijn linkerborst, NV Broeckmans in de letters van het logo.
Veel hoefde ik verder niet te doen. Een half uur lang onderhield hij mij met de familiehistorie van hun bedrijf. Hoe André, de befaamde stichter, slinks had ingespeeld op de toenemende beslissingskracht van de vrouw door zijn klinken als fallussymbolen te ontwerpen. Met zinneprikkelende modellen in alle kleuren en maten had hij de Vlaamse markt veroverd. Om dit alles kracht bij te zetten, was de hele wand behangen met illustraties van het familiale succes. Vergulde lijsten met foto's die hij met zijn zweterige worstenvinger bezoedelde zodat de brillantine in het haar van de Broeckmans brothers in 3D leek te glanzen. Elk exemplaar bezat wel ergens een plek die nog meer schitterde dan de kitscherige fotolijsten zelf: een tand, een ketting, een oorbel, een horloge. Ook de overhangende buiken, gecompenseerd door een fier vooruitgestoken borst, leken gemeengoed.
Nu, vier generaties verder – zo vervolgde hij - brak NV Broeckmans de grenzen open naar de Europese markt. Als Napoleon er al twee eeuwen eerder in geslaagd was het continent te veroveren, dan kon dat voor een Broeckmans in dit nieuwe millenium slechts een peulschil zijn.
'Secretaresse dus?' zo rondde hij af, terwijl zijn ogen wellustig in mijn décolleté verdwenen.
'Ik meen dat u zich vergist,' zei ik.
Met de fallusklink trok ik de deur extra hard in het slot.

vrijdag 29 april 2011

À la manière du chef

Was je handen liever uit-
gebreid, voor je me vanuit de
vriezer naar het vuur toe leidt

Ontdooi me zacht
in mijn karton, tot ik tegen-
pruttel in de magnetron

Voor je me bereidt, controleer
de houdbaarheid. Schil zo nodig snel
rotte plekken uit mijn vel

Maak traag warm, roer me
in eenvoud. Breng
op smaak met peper en zout.

dinsdag 12 april 2011

Rood licht

De laatste tijd sta ik altijd voor rode lichten. Ze springen van groen naar rood als een kamikaze-kikker die plots in zijn eigen bloed rondzwemt. Bij een rood licht word je verwacht te wachten. Wachten. Mijn hele leven is een voortstormen van wolken vol onweer die af en toe voorbij de zon razen. Ze kolken en bruisen van ideeën en geven soms hun neerslag in mijn uitspattingen. In ieder geval zijn ze in beweging; ze staan niet stil. Misschien is dat rode licht het boze oog van een cycloop die zonder knipperen (want dan zou het oranje zijn) zegt dat het nu welletjes is geweest. Ja zelfs wanneer het verkeersstil is, de wind over een leeg wegdek blaast in plaats van dreutelt tussen voorbij zoevende rode en groene auto's, dwingt dat rood me te wachten. Ik ben panisch voor politie die bij gebrek aan criminaliteit bij overbemanning zit te azen op een slachtoffer, liefst een student, liever een studente. En wanneer ik sta te wachten, voor het rode licht, besef ik dat dit mijn boete is. Dat ik in al mijn haast om volgens de regels te leven vergeten was dat het bij wet verplicht is af en toe stil te staan.

woensdag 16 maart 2011

De weduwe van de koster

De vrouw van de koster was onverwachts de weduwe van de koster geworden. Haar donkere kleren waren als zeemvellen die haar tranen hadden opgeslorpt. Elke dag, nu al zes maanden lang, als ze na haar bezoek aan het kerkhof de keuken van haar rijwoning binnenkwam, kuste ze zijn foto op het doodsprentje naast de stolp waarin Maria van Lourdes haar ogen ontwijkend ten hemel richtte.
Op het plastieken tafelkleed met kersen lag Het Laatste Nieuws open op een voor drie vierde ingevuld kruiswoordraadsel in het handschrift van haar man. In het linkse bovenvak van het raster priemde een vetvlek van de Suzy-wafel waar hij zo graag van snoepte.
De afwas stond onaangeroerd in de gootsteen, preipuree was aan de porseleinen borden en in bruine vlekken op het gasfornuis vastgekoekt. Sinds de fatale hartaanval van de koster was het leven hier blijven stilstaan. Alleen de metalen klok aan de wand en de zich immer vermenigvuldigende vliegen die zich gretig op de afwas stortten, wezen op de voortgang van de tijd.
De weduwe van de koster was voltijds vrouw van de koster geweest: wanneer ze zijn gestreepte hemden had gestreken en er een passende stropdas bij zocht, verstopte ze in iedere voorzak een pepermuntje voor het geval haar echtgenoot een slechte smaak in zijn mond kreeg. En voor hij naar de kerk vertrok, legde ze steevast een Suzy-wafel voor hem klaar. Ze voegde curry bij elk gerecht – ook al vond ze dat bijzonder eentonig – omdat dat de koster aan zijn jeugd in Nederlands Indië deed denken. En voor de sleutel van de kerk had ze een speciaal zakje met bloemen geborduurd. Haar leven als vrouw van de koster was er een van absolute toewijding geweest; nu zou ze voltijds weduwe zijn.
Daar zat ze in haar zwarte kleren op de stoel aan de keukentafel door het raam te staren, het kruiswoordraadsel onaangeraakt en de pen op net dezelfde plaats als waar de koster haar laatst had neergelegd. Ze zat voor het raam tot de zon onderging; dan zeemde ze zichzelf naar de slaapkamer, waar ze - met haar zwarte kleren aan - haar ogen sloot.

Die morgen sleepte ze zich van haar bed naar de keukenstoel voor het raam om haar blik opnieuw op oneindig te richten.
Na exact twee uur en elf minuten naderde er razendsnel een grijsbruin projectiel – de weduwe zag niks – en botste luid tegen het vensterglas.
De klap deed haar ontwaken uit haar apathie, ze veerde op alsof iemand haar gezegd had dat het brandde aan haar voeten, snelde langs de achterdeur naar buiten en voor het eerst sinds de dood van de koster kon ze terug zien: er lag een jong, grijsbruin musje op de grond. Rond zijn borst zaten nog donsjes, en zijn snaveltje was nog een beetje stomp. Muisstil lag het op de grond te stuiptrekken.
De weduwe nam het voorzichtig tussen haar handen en droeg het naar de keukentafel, waar ze het bovenop het kruiswoordraadsel legde. De vogel liet zijn kopje hangen boven een zwart gearceerd vak en gaf geen kik.
Toen de weduwe voorzichtig een schoteltje water dichterbij schoof, kromp het beestje angstig in elkaar als een kind dat denkt dat het onzichtbaar is wanneer het zijn handen voor zijn ogen houdt. De vrouw bleef stil wachten, zittend op haar stoel voor het raam. Na ongeveer een uur ondernam de vogel een schuchtere poging om met zijn snavel tot aan het water te reiken.
Het verlegen geluid van het nippen charmeerde de vrouw zodanig dat ze de allerlaatste Suzy-wafel uit het pak van haar man resoluut uit zijn verpakking haalde om de krant met kruimels te bestrooien. Aanvankelijk reageerde de mus niet, maar na een uurtje pikte hij enkele brokjes op en produceerde daarbij lieflijke piepgeluiden.
De ogen van de weduwe herwonnen een lichte glans, even leken haar mondhoeken zelfs te krullen.
De koster keek - vanop zijn schouw – genoegzaam mee.

's Avonds zette ze de mus op de leuning van de zetel naast zich zodat ze af en toe zacht over zijn hoofdje kon strelen.
“Al wat beter?” vroeg ze. Ze aaide de dons tussen zijn zwarte kraaloogjes. Toen het beestje kirde, glimlachte de weduwe ongedwongen.
Plots echter, tijdens het kirren, verslikte de mus zich in een kruimel die in zijn snavel was achtergebleven. Het gezicht van de vrouw werd lijkbleek toen het kirren overging in een akelig gekrijs, bleef haperen in verschillende frequenties tot het onheilspellend stil werd in het lege huis. Vroeger had ze stevig op de rug van de koster geklopt wanneer hij een hevige hoestbui kreeg, maar bij dit fragiele wezentje kon ze slechts machteloos toekijken.
Toen de vogel stil bleef, vormde ze haar hand als een bubbel, sloop op haar tenen de trap op en koos het groenwit gestreepte hemd dat de koster slechts op zon- en feestdagen droeg. Vervolgens ruilde ze het pepermuntje in de voorzak voorzichtig om voor de mus en gaf het jong in zijn slaapzak een plaats op het kosterlijke hoofdkussen. Het dier, zo stelde ze moedeloos vast, leek even levenloos als de mussen op de postzegels van één frank.
De weduwe, die nooit de kans had gekregen afscheid te nemen van de koster, waakte.

Toen de zon in strepen tussen het rolluik viel, werd het musje wakker. Het bevrijdde zich uit zijn slaapzak, huppelde op het kussen en begon ongeduldig te tsjilpen. Vliegen ging nog niet zo goed, springen des te beter. Hij porde met zijn poot tegen de wang van de vrouw, duwde zijn andere tegen haar oor en tsjilpte daarbij steeds luider. De weduwe, echter, ontwaakte niet meer.

zaterdag 26 februari 2011

Soep



Mijn kookpunt is na, en toch
blijf je kruiden met
look
munt
en koriander
zaag-bij-een-ander
‘k loop over, bijna

Dan mix je alles snel
ik pruttelspetter
uit mijn vel

SPAT

je gelaat, de keuken
helemaal nat

Je hebt er weer
een soep van gemaakt.